Psalmen
Hij die onder de hoede is van de Allerhoogste, die zal vernachten in de schaduw van God.
Ik zal tot de Heer zeggen: Mijn schuilplaats, mijn God, op wie ik vertrouw!
Want Hij zal u redden van de vallen en versperringen, en van de verderfelijke pest.
Hij zal u dekken met Zijn vleugels, en onder Zijn vleugels bent u veilig; Zijn waarheid is een schild, een pantser.
U zult niet vrezen voor de schrik van de nacht, en voor de pijl die overdag vliegt;
Voor de pest, die in de duisternis wandelt; voor het verderf dat toeslaat in de middag.
Aan uw zijde zullen er duizenden vallen, aan uw rechterhand; u blijft ongedeerd.
U zult de vergelding van de goddelozen zien; U zult het met uw ogen aanschouwen.
Want U, Heer zijt mijn toevlucht; de Allerhoogste hebt u gesteld tot uw vertrek;
U zal geen kwaad wedervaren, en geen plaag zal uw tent naderen.
Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
De felle leeuw en de adder zult u vertrappen, gij zult de jongen leeuw en den draak vertreden.
Omdat hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn.
Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken. Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.
Mijn hulp is van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.
De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uw schaduw, aan uw rechterhand.
De zon zal u overdag niet steken, noch de maan in de nacht.
De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
De Heer zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in de eeuwigheid.
ܝܳܬ̣ܶܒ ܒܣܶܬܳܪܶܗ ܕܰܡܪܰܝܡܳܐ ܗ̄ ܘܰܒܛܶܠܳܠܶܗ ܕܰܐܠܗܳܐ ܡܶܫܬܰܒܰܚ܀
ܐܶܡ̣ܰܪ ܠܡܳܪܝܳܐ ܬܽܘܟ̣ܠܳܢܝ̱ ܗ̄ ܒܶܝܬ̣ ܓܰܘܣܝ̱ ܐܰܠܗܳܐ ܕܰܬܟ̣ܺܝܠ ܐ̱ܢܳܐ ܥܠܰܘܗܝ܀
ܕܗ̣ܽܘ ܢܦܰܨܶܝܟ ܡ̣ܶܢ ܦܰܚܳܐ ܕܬܽܘܩܰܠܬ̣ܳܐ ܗ̄ ܘܡ̣ܶܢ ܡܰܡܠܠܳܐ ܕܰܣܪܺܝܩܽܘܬ̣ܳܐ܀
ܒܶܐܒܪ̈ܰܘܗܝ ܢܦܰܨܶܝܟ ܘܰܬܚܶܝܬ ܟܶܢܦܰܘ̈ܗܝ ܬܶܣܬܰܬܰܪ ܗ̄ ܙܰܝܢܳܐ ܢܰܚܕܪܳܟ ܩܽܘܫܬܶܗ܀
ܠܐ ܬܶܕܚܰܠ ܡ̣ܶܢ ܕܶܚܠܬ̣ܶܗ ܕܠܺܠܝܳܐ ܗ̄ ܘܡ̣ܶܢ ܓܶܐܪܳܐ ܕܦܳܪܰܚ ܒܺܐܝܡܳܡܳܐ܀
ܘܡ̣ܶܢ ܡܶܠܬ̣ܳܐ ܕܰܡܗܰܠܟ̣ܳܐ ܒܚܶܫܽܘܟܳܐ ܗ̄ ܘܡܶܢ ܪܽܘܚܳܐ ܕܫܳܝܕܳܐ ܒܛܰܗܪܳܐ܀
ܢܶܦܠܽܘܢ ܡܶܢ ܣܶܛܪܳܟ ܐܰܠܦ̈ܶܐ ܗ̄ ܘܪ̈ܶܒܘܳܬ̣ܳܐ ܡ̣ܶܢ ܝܰܡܺܝܢܳܟ܀
ܘܰܠܘܳܬ̣ܳܟ ܠܐ ܢܶܬ̣ܩܰܪܒܽܘܢ ܗ̄ ܐܶܠܐ ܒܥܰܝ̈ܢܰܝܟ ܒܰܠܚܽܘܕ ܬܶܚܙܶܐ܀
ܘܦܽܘܪܥܳܢܗܽܘܢ ܕܪ̈ܰܫܺܝܥܶܐ ܬܶܚܙܶܐ ܗ̄ ܡܶܛܽܠ ܕܐܰܢ̱ܬ ܗ̣ܽܘ ܡܳܪܝܳܐ ܬܽܘܟ̣ܠܳܢܝ̱܀
ܕܒܰܡܪ̈ܰܘܡܶܐ ܣܳܡ̣ܬ ܡܥܰܡܪܳܟ ܗ̄ ܠܐ ܬܶܩܪܽܘܒ ܠܳܟ ܒܺܝܫܬܳܐ܀
ܘܰܡܚܽܘܬ̣ܳܐ ܠܐ ܬܶܬܩܰܪܰܒ ܠܡܰܫܟܢܳܟ ܗ̄ ܡܶܛܽܠ ܕܰܠܡܰܠܐܰܟ̣ܰܘ̈ܗܝ ܢܦܰܩܶܕ ܥܠܰܝܟ܀
ܕܰܢܢܰܛܪܽܘܢܳܟ ܒܟܽܠܗܶܝܢ ܐܽܘܪ̈ܚܳܬ̣ܳܟ ܗ̄ ܘܥܰܠ ܕܪ̈ܳܥܰܝܗܽܘܢ ܢܶܫܩܠܽܘܢܳܟ܀
ܕܠܐ ܬܶܬܩܶܠ ܒܪܶܓ̣ܠܳܟ ܗ̄ ܥܰܠ ܓܳܪܣܳܐ ܘܥܰܠ ܚܰܪܡܳܢܳܐ ܬܶܕܪܽܘܟ܀
ܘܰܬܕܽܘܫ ܐܰܪܝܳܐ ܘܬܰܢܺܝܢܳܐ ܗ̄ ܡܶܛܽܠ ܕܠܺܝ ܒܥ̣ܳܐ ܐܶܦܰܨܺܝܘܗܝ ܘܶܐܥܰܫܢܺܝܘܗܝ܀
ܡܶܛܽܠ ܕܺܝ̣ܕܰܥ ܫܶܡܝ̱ ܢܶܩܪܶܝܢܝ̱ ܘܶܐܥܢܶܝܘܗܝ ܗ̄ ܥܰܡܶܗ ܐܶܢܳܐ ܒܽܐܘܠܨܳܢܳܐ܀
ܐܶܥܰܫܢܺܝܘܗܝ ܘܶܐܝܰܩܪܺܝܘܗܝ ܗ̄ ܘܢܽܓ̣ܪܳܐ ܕܝܰܘ̈ܡܳܬ̣ܳܐ ܐܶܣܰܒܥܺܝܘܗܝ܀
ܐܶܚܰܘܶܝܘܗܝ ܦܽܘܪܩܳܢܝ̱ ܗ̄ ܐܰܪܺܝܡ ܥܰܝ̈ܢܰܝ ܠܛܽܘܪܳܐ܀
ܐܰܝܡܶܟܳܐ ܢܺܐܬ̣ܶܐ ܡܥܰܕܪܳܢܝ̱ ܗ̄ ܥܽܘܕܪܳܢܝ̱ ܡ̣ܶܢ ܩܕܳܡ ܡܳܪܝܳܐ܀
ܗܰܘ ܕܰܥܒܰܕ ܫܡܰܝܳܐ ܘܰܐܪܥܳܐ ܗ̄ ܠܐ ܢܶܬܶܠ ܠܪܶܓ̣ܠܳܟ ܠܙܰܘܥܰܬ̣ܳܐ܀
ܘܠܐ ܢܢܽܘܡ ܢܳܛܽܘܪܳܟ ܗ̄ ܠܐ ܓܶܝܪ ܢܳܐܷܡ ܘܠܐ ܕܳܡܶܟ܀
ܢܳܛܽܘܪܶܗ ܕܺܐܝܣܪܳܐܝܠ ܗ̄ ܡܳܪܝܰܐ ܗ̱̇ܘ ܢܳܛܽܘܪܳܟ܀
ܡܳܪܝܳܐ ܢܰܛܶܠ ܠܳܟ ܒܺܐܝܕܶܗ ܕܝܰܡܺܝܢܳܐ ܗ̄ ܒܺܐܝܡܳܡܳܐ ܫܶܡܫܳܐ ܠܐ ܢܰܟܶܟ܀
ܐܴܦܠܐ ܣܰܗܪܳܐ ܒܠܺܠܝܳܐ ܗ̄ ܡܳܪܝܳܐ ܢܢܰܛܪܳܟ ܡ̣ܶܢ ܟܽܠܗܶܢ ܒܺܝ̈ܫܳܬ̣ܳܐ܀
ܢܶܛܰܪ ܢܰܦܫܳܟ ܡܳܪܝܳܐ ܗ̄ ܢܶܛܰܪ ܡܰܦܩܳܟ ܡܰܥܠܳܟ܀
ܡܶܟܺܝܠ ܘܰܥܕܰܡܳܐ ܠܥܳܠܰܡ ܗ̄ ܘܠܳܟ ܝܳܐܶܐ ܫܽܘܒܚܳܐ ܐܰܠܗܳܐ܀